BURGERS,
een ondernemend geslacht

 

Parenteel Jacobus Burgers

Parenteel Jan Teunisz (de) Lighter

Parenteel Arnold Weijerstrass

 


In 2004 ben ik begonnen met mijn onderzoek naar de herkomst van mijn familie Burgers, nazaten van Jacobus Burgers en Josina Jasperina Janssen, voor welk onderzoek mijn neef Will Kruithof al een basis had gelegd met de verzameling gegevens over ons beider voorouders De Ligter en Soeter.

Het archief-onderzoek  vond o.a. plaats in het Stadsarchief te Amsterdam, het Gelders Archief te Arnhem, het Utrechts Archief en diverse andere archieven van o.a. Haarlem, Zwolle, Groningen, Rotterdam en Wassenaar alsmede het Felix-archief in Antwerpen, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nationaal Archief te Den Haag. Een deel is afkomstig van de doorgaans betrouwbare bron WieWasWie op het internet.

Ik ben dank verschuldigd aan met name Toos ten Horn, Wouter de Bruijn, Esther Hanekamp, de familie Mol in Dordrecht, Mary Twiss Quarles van Ufford en Colleen Croes-van Steensel van der Aa, die een schat aan oude familiefoto's en documenten ter beschikking hebben gesteld.

Deze genealogische gegevens zijn nadrukkelijk alleen bedoeld voor niet-commercieel en persoonlijk gebruik om tot een uitwisseling van gegevens te komen met andere genealogen. Laat in dat geval even weten als u iets overneemt.
 
De gehele stamboom met de aanverwante families is te vinden op http://www.genealogieonline.nl/genealogie-burgers/.

Als U aanvullende informatie heeft over de in de index voorkomende families neem dan s.v.p. contact op.


De roots van de familie BURGERS liggen in het riviergebied van de Waal tussen Nijmegen en Arnhem en lopen v.w.b. onze familietak via Utrecht naar Amsterdam. Door de aanwezigheid van de goede soort rivierklei ontstond in de 18de eeuw op de Waaloevers een baksteenindustrie en met name in de 19e eeuw schoten de steenbakkerijen als paddestoelen uit de grond. Veel Burgers-en, in de zeventiende eeuw veelal landbouwers en wagenmakers, vonden werk in deze industrie en waren eigenaar en/of exploitant van een steenfabriek. Ook tot op heden zijn er nog telgen uit ons geslacht Burgers werkzaam in de landbouw, carrosseriebouw en de steenindustrie.

JACOBUS BURGERS (1769-1849) en het Logement De Zon
Mijn betbetovergrootvader JACOBUS BURGERS, zoon van Burchardus Burgers en Mechtildis van Bergeren, was sedert 1802 eigenaar van het even buiten de Rijnpoort in Arnhem gelegen LOGEMENT DE ZON. Het pand was oorspronkelijk van hout en één verdieping hoog met wat lindeboompjes voor de deur. Vanwege de ligging buiten de poorten van de stad moest het van hout zijn, daar een eventuele belager van de stad zich in een stenen gebouw gemakkelijk kon verschansen. In de loop der jaren werd het vervangen door een van steen opgetrokken gebouw. Vanaf Logement de Zon vertrok elke ochtend om kwart voor negen een diligence via Amersfoort naar Amsterdam en verschillende plaatsen op de Veluwe. In 1809 werd Jacobus ("Jacob") het postmeesterschap verleend. De "Koninklijke Paardenposterij" was naast het logement gelegen en was de pleisterplaats van de koninklijke familie, die op haar reis van en naar het Loo, hier van vier- of zesspan verwisselde. Meer over het postmeesterschap verderop op deze pagina.

De familie was niet onbemiddeld en bezat rondom Arnhem grote stukken grond. In 1819 kocht Jacobus nog een stuk bouwland aan de stad afgestaan bij decreet van Z.M. den Koning van Holland dd. 8 juni 1808 en behorend tot de vroegere vestingwerken. In 1825 kocht hij weer een stuk grond gelegen tussen zijn erf, het plantsoen voor het Nieuwe Kerkhof en het erf van Lucas van Ooij. Blijkens akte van 18 januari 1821 verleden voor notaris Mr. Jacob Nijhoff werd voor een bedrag van ƒ 1078,- door Jacobus verkocht aan koopman en landbezitter Mr. C.A. Weerts "een stuk bouwland groot ongeveer Twee Bunders en Vierentwintig Roeden, voorts nog 10 ellen N.N.L. gronds (....) buiten de St. Janspoort der Stad Arnhem achter den Roden Haan" t.b.v. de bouw van het landgoed Mariënburg.

 In 1827 werd de Rijnpoort afgebroken, de puinhopen werden gebruikt om de stadsgracht te dichten. De poort werd vervangen door twee barrièrehuisjes met een zwaar ijzeren hek, de Rijnbarrière.

De Zon was dikwijls de verblijfplaats van leden van het Koninklijk Huis. Op 31 juli 1840 overnachtte er H.K.H. de prinses van Oranje, vergezeld van de gravin Marie von Württemberg om "den volgenden dag per stoomboot Willem III naar 's-Gravenhage te vertrekken", de Russische grootvorsten Nicolaus en Michael brachten een kort bezoek aan De Zon op 14 juni 1852. Van 15 mei tot 22 juni 1859 logeerde in De Zon de graaf Chambord, die daarna als pretendent van de Franse kroon nog een aantal weken op Bronbeek heeft vertoefd. Ook Prins Alexander logeerde op 16 augustus 1867 in De Zon. Een deputatie van de Zuid-Afrikaanse republiek, bestaande uit president Kruger, du Toit en generaal Smit bezocht 8 maart 1884 Arnhem. In De Zon had 's avonds een feestmaal plaats. In 1889 verbleef de hertogin Albany, de zuster van de toenmalige Koningin-Moeder er, daarna de Koning van Italië en generaal Grant, Marie von Wied, prinses der Nederlanden, in 1909 en in 1910 de destijds beroemde Franse toneelspeelster Sarah Bernhardt. In het "Gouden Boek" zet zij onder haar handtekening "Que la vie vous soit douce". Later o.a. nog Dr. Röntgen, Prins Hendrik en Koningin Emma en Dr H.Colijn (Bron: Arnhemsche Courant dd. 17 april 1937). Eens per jaar richtte de Gelderse adel er een prachtig feest aan dat tenminste ƒ 3000 kostte, voor die tijd een enorm bedrag.

Vooral in 1813 kreeg het hotel een grote bekendheid. De Fransen hadden het Koninkrijk Holland in 1795 bezet en lijfden in 1810 ons land in, waardoor het tot een provincie van Frankrijk werd gedegradeerd. De legers van de Pruisische generaal Friedrich Von Bülow (1755-1816), die later een belangrijke rol zou spelen in de slag bij Waterloo, belegerden op 30 november van dat jaar Arnhem, dat verdedigd werd door de Fransen. Arnhem werd in 4 colonnes aangevallen, aan de westzijde van de stad dichtbij De Zon lag een versterkt kamp van de Fransen, het Retranchement, dat genomen werd door één van de colonnes. Na het binnentrekken van de Pruisische troepen vormden de Fransen een carré bij De Zon. Gebruik makend van de verwarring van dat moment vluchtte de Franse officier majoor Pierre Termogniac naar een bovenverdieping van De Zon. Zware stappen werden op de trap gehoord; de majoor draaide de deur op slot. Hij wierp een laatste smartelijke blik door het raam om de ondergang van zijn dappere troepen te zien. Er werd op de deur gebonsd, stemmen riepen: "Doe open of we trappen de deur in!". Majoor Termogniac nam de beide ruiterpistolen van tafel, richtte zich op in een krijgshaftige houding en toen de deur bezweek, vuurde hij de beide pistolen zo dicht tegen de Pruisen af, dat hun uniformen smeulden. Toen spreidde hij zijn armen en met de kreet: "Vive l'Empereur!" ontving hij de vlijmscherpe bajonetten in zijn dappere hart. De Pruisen scheurden hem het uniform van het lijf, sleepten het lijk naar het raam en gooiden het naar buiten. Zo viel hier onder de ogen van Jacobus een dapper officier, Ridder in het Légion d'Honneur...
 



Gevecht bij De Zon in 1813 (Klik op de afbeelding voor een vergroting)
 

Tijdens hun voetreis door Nederland in 1823 doen de latere schrijver Jacob van Lennep en zijn mede-student Dirk van Hogendorp ook Arnhem aan en logeren zij enkele dagen in Hotel De Zon. Op 1 augustus schrijft Van Lennep in zijn dagboek o.a. dat zij zich " te half vijf aan de herberg de Zon, buiten de Rijnpoort bevonden, waar wij onze koffers en valiezen vonden.(...) Tot tien uur schreven wij en sliepen vervolgens vrij slecht in het benaauwd en kleine vertrekje dat ons aangewezen was". En op 3 augustus: "Van Hogendorp ging vroeg naar bed, terwijl ik met de anderen bleef soupeeren en bourgognewijn drinken, waarin te veel loodwit was". Ook de volgende dag had hij hier nog last van: "Te eener ure kwam ons middagmaal, waar ik niet aan raakte, wegens het loodwit der Bourgogne van Burgers".

Op 12 januari 1837 trekt Jacobus zich terug uit het hotelvak en verhuurt hij het Logement De Zon voor een periode van negen jaar à ƒ 1200 per jaar aan zijn schoonzoon GERARD CHRISTIAAN DE HAAS, die gehuwd is met zijn dochter LEONORA MARIA WILLEMINA. In een afscheidsannonce, geplaatst in de Arnhemsche Courant van 23 maart 1837 rekent hij het zich

"ten pligt, het reizend Publiek zijnen dank te betuigen, voor de veelvuldige blijken van vertrouwen en begunstiging, welke hij, gedurende de opgenoemde jaren, heeft mogen ondervinden. Hij beveelt zijnen opvolger in dat zelfde vertrouwen en in die zelfde begunstiging aan, en houdt zich overtuigd, dat deze alles zal aanwenden, wat in zijn vermogen is, om zich beide waardig te maken".

De reactie hierop van zijn schoonzoon:

"Ten gevolge van bovenstaande advertentie heb ik ondergetekende de eer het ALGEMEEN BEKENDE LOGEMENT, DE ZON, buiten de Rhijnpoorts-barrière te Arnhem, dat ik van mijnen Schoonvader J.BURGERS, heb overgenomen, en den 15 den April eerstkomende zal aanvaarden, den reizenden aan te bevelen.
De schoone en vrolijke ligging van hetzelve, nabij de losplaats der Stoomboten van Rotterdam en Keulen,deszelfs riante uitzigt op den Rijn, de goede inrigting van het gebouw, en een smaakvol en geheel nieuw Ameublement, geven mij de hoop, de goedkeuring mijner begunstigers te zullen wegdragen, waarbij ik tevens de verzekering voeg niets onbeproefd te zullen laten, om, door eene prompte bediening op het voetpad van mijnen Schoonvader, mij die goedkeuring waardig te zullen maken".


Enkele jaren later (vermoedelijk in 1839) koopt De Haas het hotel voor ƒ 30.000 van zijn schoonvader. Blijkens acte verleden voor notaris Mr G. van Eck dd. 11 maart 1845 leent hij van zijn schoonvader, zijn zwagers en schoonzussen en een aantal voornamelijk Amsterdamse particulieren een bedrag van ƒ 50.000 in 50 aandelen van ƒ 1000 elk met het Logement als onderpand: "Tot waarborg van voorschreven kapitaal van vijftigduizend gulden en verdere door den schuldenaar bij deze obligatoire acte aangegane verbintenis, verklaart de schuldenaar te verbinden en executabel te stellen alle zijne roerende en onroerende goederen, actien en credieten, voorts bij onderzetting speciaal te verbinden zijn Huis, genaamd het Logement De Zon staande even buiten het Rijnhek der stad Arnhem bij de Haven, benevens de daarbij behoorende tuin, bleekveld, stalling en koetshuizen, alsmede het kleine huisje tussen voorschrevene gebouwen geenclaveerd, op den kadastralen legger van Arnhem bekend onder etc etc." Jacobus neemt zelf deel voor een bedrag van ƒ 14.000. Met het geld uit deze lening "gesproten" neemt de schuldenaar aan het voorschreven pand "aanmerkelijk te verbeteren en te vergroten en daarna voortdurend in alles naar behooren te onderhouden". Bij de verkoop wordt het naastgelegen koetshuis in huur afgestaan aan Albertus Franciscus Burgers t.b.v. de paardenposterij.

Dat Jacobus Burgers het niet altijd even gemakkelijk had met het uitgavenpatroon van zijn vrouw en zijn kinderen moge blijken uit onderstaande advertentie in de Arnhemsche Courant van 12 maart 1842. Kennelijk hadden zij toen ook al een gat in hun hand.

Jacobus overleed op 4 januari 1849 zonder een testament gemaakt te hebben. Zijn 14 kinderen en zijn op dat moment nog in leven zijnde echtgenote Josina Jasperina zijn z'n wettige erfgenamen en volgens de op 2 april 1849 opgemaakte memorie van successie van de tot de onverdeelde gemeenschap behoord hebbende vaste goederen, zijn onder meer stukken grond en weiland in de Geldersche Waard onder de gemeente Arnhem, genaamd de Zonneweerd, een weide in de Arnhemsche Broek aan de kleinen Vosdijk, bouwland aan de Utrechtse Straatweg en aan de overzijde van de spoorweg alsmede onder de gemeente Elden in het arrondissement Nijmegen een gebouw of schuur met aangelegen tuin en weiland en waterkolk in de polder van de Heerlijkheid Mijnerswijk genaamd de Zonoord. Bij acte verleden voor notaris Godefroij dd. 30 april 1849 verbinden allen "zich zo veel mogelijk bij wege van minnelijke schikking tot eene vereffening en deeling van voormelde boedel mede te werken en toe te treden." Voor het geval een en ander niet mocht lukken wordt een drietal scheidsrechters aangewezen, waarbij zij zich verbinden zich onvoorwaardelijk te zullen onderwerpen aan de beslissing van deze drie scheidsrechters.

In 1875 verkocht De Haas het hotel aan de heer P.W.Werker voor ƒ 65.000, die het op zijn beurt op 31 december 1878 verkocht aan de (eveneens aan de familie Burgers gerelateerde) bij hem al twee jaar als chef-oberkellner werkzame Gerhard Cornelis Smeenk voor ƒ 130.000. De C.V. H. van Dooren & Co kocht het hotel op 1 januari 1908 aan. Deze Henri van Dooren overleed in 1921, waarna zijn vrouw de exploitatie nog enkele jaren voortzette. Hun schoonzoon Johannes Franciscus van Geluk exploiteerde het vanaf 1923 samen met zijn vrouw Louisa Hendrika van Dooren, totdat twee bommen in september 1944 en een schoorsteenbrand in oktober 1945 een einde maakten aan een hotel met een roemrijke historie, dat eens tot de glorie van Arnhem behoorde. In 1951 is men begonnen met de sloop. Het "Gouden Boek", dat erg geleden had van oorlogsschade maar nochtans intact gebleven was en waarin talloze voorname en beroemde stad- en landgenoten en buitenlanders hun handtekening gezet hebben, is tot aan het eind toe bewaard gebleven en is mogelijk nog in bezit van de familie Van Geluk of van de familie Van Dooren. E.e.a. vereist nog nader onderzoek, hopelijk komt het ooit nog eens boven water.

Nu herinnert nagenoeg niets meer aan deze markante plek op de Rijnoever van Arnhem. Op de plaats waar het hotel stond, staat nu een flatgebouw. Alleen in de naam hiervan, "Du Soleil", leeft het logement van Jacobus Burgers nog voort.



Hotel Du Soleil in 1901 (foto: Collectie Kruithof)
 

Bij de verkoop van het Logement de Zon in 1839 aan De Haas wordt de paardenposterij in huur afgestaan aan ALBERTUS FRANCISCUS BURGERS, een andere zoon van Jacobus.


De Paardenposterij was een ten tijde van de Franse bezetting van de Nederlanden in 1806 uit Frankrijk overgewaaid fenomeen. Paardenposterijen, niet te verwarren met postwagendiensten, hadden in de Republiek nooit bestaan. Postwagendiensten verzorgden de verbindingen tussen twee of meer plaatsen (een soort busdienst dus). De Paardenposterij was echter eerder een verzekerde dienst van paarden, meestal met de Brievenposterij onder één bestuur ressorterend, bestaande uit een aantal langs de voornaamste wegen gelegen poststations (relais) met aan het hoofd postmeesters, waar reizigers tegen vastgesteld tarief paarden, rijtuigen en postiljons konden huren. De postroutes, waarlangs de poststations lagen, waren dus wegen, geen verbindingen. Men reisde voordien individueel of met van stalhouders gehuurde paarden, iets wat o.a. door de gemoedelijkheid van de Nederlandse samenleving nooit problemen had opgeleverd.

Met de komst van Lodewijk Napoleon uit Frankrijk veranderde deze reeds lang ingeburgerde situatie. Hij vaardigde op 20 november 1806 een decreet uit waarin werd vastgelegd, dat een directeur-generaal, deel uitmakend van het Ministerie van Financiën, het beheer zou hebben zowel over de Brieven- als over de Paardenpost. Het had heel wat voeten in de aarde, maar na een lange lijdensweg van ambtelijk touwtrekkerij werd op 28 september 1809 door de Koning het besluit genomen tot invoering van de Paardenpost. Er werden 77 stations ingericht onder leiding van een postmeester waar paarden konden worden gewisseld. De postmeester had o.a. tot taak het postgeld te innen en te zorgen voor uitbetaling van de lonen aan de ruiters. Tevens was hij verplicht aan belanghebbenden de nodige informatie te verschaffen omtrent de tarieven, afstanden etc.

Met de opkomst van de spoorwegen half negentiende eeuw begon de Paardenposterij aan belangrijkheid te verliezen en op 1 juli 1854 trad een wet in werking waarin de opheffing werd geregeld. In de memorie van toelichting bij die wet wordt hoofdzakelijk gesteld, dat de paardenposterij, "eene plant van vreemden oorsprong, op Nederlandschen bodem overgebragt aldaar nimmer veel opgang heeft gemaakt"; het was onmogelijk gebleken aan de postmeesters een toereikend bestaan te verzekeren en het reizen met postpaarden behoorde hoe langer hoe meer tot de uitzonderingen.


Waarschijnlijk heeft Albertus deze ontwikkeling nauwlettend gevolgd. In het adresboek van Arnhem van 1861 komt Albertus Franciscus nog voor als logementhouder van HOTEL HOF VAN HOLLAND in de Weverstraat C 145 in Arnhem. Onder invloed van veranderende economische omstandigheden en de behoefte in Nederland aan ontginning van woeste gronden koopt hij in 1851 samen met zijn tweede vrouw Maria Wilhelmina Renssen een stuk heidegrond ten noorden van Arnhem ter grootte van 57 ha. Daar worden zij eigenaar van de ontginningsboerderij "Rijzenburg" aan de Koningsweg (de jachtweg die in de jaren van Stadhouder Willem III het vorstelijke Dieren met Ede verbond) bij de ingang van het huidige Nationale Park "De Hoge Veluwe". Zij hadden deze boerderij met de daarbij behorende gronden in eigendom verkregen ten dele door aankoop van de gemeente Arnhem, ten dele door ruiling van de heer Johannes Backer en verdere eigenaren van het landgoed Kemperberg. Na het overlijden van Maria Renssen in 1856 (zij werd slechts 29 jaar) hertrouwt hij in 1860 met Elisabeth Janssen, dochter van een Brabantse wijnhandelaar. Albertus is dan inmiddels ook eigenaar van het in de Weverstraat in Arnhem gelegen HOTEL DE HOLLANDE.

In 1860 echter wordt zijn faillissement aangevraagd en in 1861 verhuist hij met zijn gezin naar Londen, waar hij het HOLLAND HOTEL aan de Bishopsgatestreet exploiteert. Hij overlijdt in 1872 in Antwerpen waar hij op dat moment werkt en woont.

De Paardenposterij oefende een grote aantrekkingskracht uit op de familie Burgers. Ook zoon WILHELMUS LAURENTIUS BURGERS werd aangesteld als Postmeester te Leiden, blijkens een bericht in de Leydsche Courant van 11 juni 1835.



~~~~~~~~~~

Onze tak stamt rechtstreeks af van de oudste zoon van JACOBUS en zijn vrouw JOSINA JASPERINE JANSEN, JOANNES. JOANNES, geboren tijdens de Franse bezetting in 1798 groeide op in Arnhem en verhuist in 1820 naar 's Hertogenbosch, waar hij trouwt met PETRONELLA LAMBOOIJ en waar hij werkt als landmeter bij het kadaster. In 1825 vestigt het gezin zich in Utrecht, waar de overige 7 kinderen worden geboren onder wie mijn overgrootvader, LODEWICUS JOHANNES BURGERS. In Utrecht is hij eigenaar van een "stalhouderij, verhuring van paarden, rijtuigen en aanhoorigheden" aan de Wittevrouwenpoort. In 1846 doet hij de stalhouderij over aan zijn oudste zoon Carolus Josephus.  Bij de volkstelling van 1850 in Utrecht komt hij nog voor als winkelier en stalhouder. Met zijn vrouw en 7 kinderen verhuist hij rond 1850 naar de Haarlemmerstraat in Amsterdam, waar hij op de hoek van de Binnen Wieringerstraat een tapperij heeft. Deze tapperij wordt geexploiteerd door zijn dochter Reiniera Petronella. Zij wordt bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 11 maart 1852 in staat van faillissement verklaard en een dag daarop wordt Joannes in Staat van Kennelijk Onvermogen verklaard. Zij vrouw Petronella overlijdt in 1857 in Amsterdam op het adres Nieuwezijds Achterburgwal nr. 211 (het achterste huis in de Poppengang, één van de vele gangen en zijsleuven van de Nieuwezijds Achterburgwal t.h.v. de Wijdesteeg, na de demping in 1857 omgedoopt tot Spuistraat). Joannes overlijdt op 24 november 1874 in Utrecht.

LODEWICUS JOHANNES BURGERS en de Nieuwe Manege in de Voorstraat te Utrecht
Mijn overgrootvader LODEWICUS JOHANNES woont vanaf 1854 weer in Utrecht in de Wittevrouwenstraat. waar hij mijn overgrootmoeder leert kennen, JACOBA JOHANNA MARIA VAN HEUKELOM, dochter van de Utrechtse wieldraaier Adrianus van Heukelom en Jannigje Oudstijn. Op de huwelijksakte van 7 december 1864 staat bij hem vermeld "zonder beroep". Waarschijnlijk heeft Ludowicus, zoals hij werd genoemd, dan al plannen om ondernemer te worden. Op 3 juli 1865 laat hij door notaris Hendrik Duyfjes te Utrecht een testament opmaken waarin hij zijn vrouw als enige en algehele erfgename aanstelt van zijn nalatenschap.
Op 17 augustus 1866 is het zover. Hij koopt bij acte verleden voor notaris Hendrik Duyfjes van Antonie Willem Janssens, stalhouder, voor een bedrag van 5100 gulden "---- een koetshuis met stalling, plaats en koets- of inrijpoort met woonkamer, staande en gelegen binnen de stad Utrecht aan de Voorstraat nabij de Boothstraat, wijk H nommer 518 (*), bij het kadaster der gemeente Utrecht bekend in sectie S nommer 568 ---". I.v.m. een erfeniskwestie bleef een klein deel van het perceel in handen van Janssens, maar op 9 april 1867 neemt Ludowicus ook dat deel over en is hij volledig eigenaar van de stalhouderij.

Aangezien het gezin inmiddels gezinsuitbreiding heeft gekregen besluit Ludowicus op 28 april 1870 tot aankoop van het naastgelegen "---huis met erf en grond, staande en gelegen te Utrecht aan de Zuidzijde van de Voorstraat, Wijk H nommer 519(*), bij het kadaster der gemeente Utrecht bekend in Sectie A, nommer 569, groot een en tachtig centiaren of vierkante ellen welk perceel behoort aan Elisabeth Scheer, weduwe van Theobaldus Walsmit ---". Om deze grote aankoop te financieren leent hij bij acte op 30 april 1870 verleden voor notaris Henri Willem Theodoor van Goudoever, notaris te Utrecht van ene Herman Sandbrink een bedrag van 6000 gulden, met als onderpand zijn beide percelen. Het woonhuis nr. H519 wordt in augustus 1870 verbouwd.

Om de zaken te laten groeien blijkt het ook in de jaren die volgen noodzakelijk om regelmatig bij de geldschieters aan te kloppen en op 1 juni 1874 zit Ludowicus weer bij notaris Henri Willem Theodoor van Goudoever, ditmaal om een acte te laten passeren waarmee hij een bedrag leent van 15000 gulden van Bernardus (Barend) Peletier, firmant van de door zijn broer Gerlach Ribbius Peletier in 1844 opgerichte sigarenfabriek.
Een half jaar later leent Ludowicus van dezelfde Peletier nogmaals een bedrag van 6000 gulden en dient hij op 22 maart 1876 bij de gemeente Utrecht een verzoek in om de drie achter zijn woning gelegen stallen af te breken en daarvoor in de plaats te bouwen "eene Manège met stal, wijders om de voorgevel van zijn woning te veranderen en om de bestaande mestbak te verplaatsen ..."). Deze vergunning wordt vervolgens verleend en als de verbouwing achter de rug is, is Ludowicus eigenaar van "De Nieuwe Manège" :


Promotie De Nieuwe manege 

Dan, op 4 februari 1880, overlijdt na een slepende ziekte van vijf maanden, op 45-jarige leeftijd zijn vrouw JACOBA JOHANNA MARIA VAN HEUKELOM. In de overlijdensadvertentie die verschijnt in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad laat hij weten: "hem nalatende zes kinderen, te jong om hun verlies te beseffen". Voor Ludowicus is dit een grote klap, hij moet nu een onderneming leiden en staat alleen voor de opvoeding van zijn kinderen. In 1882 leent hij nog eens 6000 gulden van Bernardus Peletier, waardoor zijn totale schuld oploopt tot 31000 gulden, een voor die tijd immens bedrag. Mede onder druk van de concurrentie (er waren een groot aantal stalhouderijen in Utrecht o.a. de grote Stalhouderij van W.v.d. Lee) en onder druk van zijn persoonlijke omstandigheden kon Ludowicus het zakelijk niet meer bolwerken en op 10 april 1883 slaat het noodlot toe: door Peletier wordt zijn faillissement aangevraagd.
Op 10 mei 1883 verschijnt er een advertentie in de krant waarin tot openbare verkoop zal worden overgegaan van het "gebouw met erf en grond, genaamd De Nieuwe Manège met Handel in Luxe paarden, gelegen te Utrecht aan de Voorstraat Wijk H nommers 518/519, bevattende een groot koetshuis met royale inrijpoort, elk met afzonderlijk bovenhuis, aparte opgangen, ruime stallen voor 19 paarden, groote en naar alle eischen des tijds ingerichte Manège met galerijen (...), bovenhuis met alcoof, keurig behangen, beschilderd en gestucadoord, stookplaats met fraaie marmeren schoorsteenmantel, gang, keuken en welwaterpomp en noodige gemakken, achterkamer met alcoof, kleedkamer, groote Zolder , dienstbodenkamer en ruime droge kelder. Tevens het andere bovenhuis, dito ingericht, maar iets kleiner". Het geheel wordt verkocht op de veiling voor 22000 gulden en hiermee komt een mooie droom tot een triest einde.

Ludowicus is dan inmiddels al met zijn zes kinderen, variërend in de leeftijd van 5 tot 17 jaar (onder wie mijn opa Henri Theodoor), naar Amsterdam verhuisd, waar hij zijn intrek had genomen in het café VIJZELSTRAAT 39 hoek Reguliersdwarsstraat. Omdat het in die tijd voor mensen die in staat van faillissement verkeerden nauwelijks mogelijk was om op hun eigen naam een vergunning te krijgen voor het schenken van sterke drank, werd de vergunning op naam gesteld van zijn jongste broer Theodorus Johannes, die in Amsterdam al een aantal cafés bezat. Van dit adres gaan zij weg in juli 1884.

Op 18 oktober 1884 gaat de familie wonen in de SPUISTRAAT 149, waar toen CAFÉ LA POSTE was gevestigd. Zijn zuster Mathilda, al enkele jaren weduwe van Fredrik van den Heuvel, trekt bij het gezin in om de zorg van de kinderen op zich te nemen. In november van datzelfde jaar wordt door de gemeente Amsterdam een vergunning afgegeven om "sterken drank in het klein te verkoopen in het voorhuis van het perceel Spuistraat 149". Deze vergunning werd verstrekt op naam van Mathilda. Op 6 november van datzelfde jaar gaat Lodewicus Johannes terug naar Utrecht met 5 kinderen. De oudste, Lodewicus Johannes Jacobus, blijft bij tante Mathilda in het café in de Spuistraat wonen. Op 2 maart 1885 voegt L.J. zich dan weer met zijn 5 kinderen bij hen.

Op 23 april 1885 trouwt hij met Hendrikje URBAN en in juni 1885 gaat hij zonder de kinderen wonen op de MARTELAARSGRACHT 20. In mei 1886 komt hij met zijn vrouw wonen in de SPUISTRAAT 149. Op 29 januari 1887 verlaten zij dit huis. Tante Mathilda gaat terug naar Utrecht, de oudste zoon gaat naar het tehuis op het RAPENBURG 2 en het echtpaar met de 5 overige kinderen neemt zijn intrek in de PEPERSTRAAT 1.

Na nog enkele malen te zijn verhuisd komen ze op 12 mei 1891 in de BLOEDSTRAAT 10-12 wonen, waar Ludowicus weer stalhouder is en zijn vrouw Hendrikje Urban een café exploiteert (de gemeentelijke vergunning om sterke drank te verkopen in het voorhuis en binnenvertrek van het pand Bloedstraat nr. 12 staat op naam van zijn echtgenote, Hendrikje Urban). Hier overlijdt Lodewicus Johannes Burgers op 23 september 1895, 67 jaar oud.

* N.B. De omnummeringslijst 1890 geeft voor het adres Voorstraat wijk H nr. 518 het adres Voorstraat 75 en voor het oude adres Wijk H nr. 519 wordt aangegeven het adres Voorstraat 71/71bis en 73/73bis. Na nog een aantal jaren dienst te hebben gedaan als spreeklokaal en schoolmuseum, was er vanaf de jaren '20 van de vorige eeuw een autobedrijf gevestigd. Met de komst van eigenaar Maas in de jaren dertig veranderde de naam in Auto Centrale Utrecht (ACU) en werd in 1950 een aantal aangrenzende panden afgebroken om ruimte maken voor een tankplaats. Deze situatie heeft bestaan tot begin jaren zestig toen eigenaar Rob Maas de garage sloot en het zogenaamde Gat Voorstraat ontstond. Na langdurige leegstand kwamen de panden 71 en 73 in 1976 in handen van de kraakbeweging die er een politiek-cultureel centrum vestigde (zie ook http://www.acu.nl).


~~~~~~~~~~~~~
 

Een dochter van Jacobus, JOSINA JASPERINA BURGERS, trouwde in 1836 in Arnhem met JOANNES TRIP. De vader van Joannes, HENDRIK TRIP kocht in 1829 de schepenmakerswerf "De Verloren Zoon" gelegen aan de Helling (Vaartse Rijn) in Utrecht met het bijbehorende woonhuis. De naam werd later omgedoopt in Rijnenburg, een naam die we later terugvinden in het familiehuis in Dedemsvaart. Samen met medevennoot Peter Mathijs Verwins, een bierbrouwer en smid uit Venlo, dreef hij met zes schepen handel in steenkool, tras-en tufsteen en Belgische kalk. Na het overlijden van Hendrik Trip trad Verwins uit de zaken en werd de firma voortgezet door zoon Joannes Trip en diens halfbroer Willem Klaassen onder de naam De Erven H.Trip. Er werd een succesvolle beurtvaart op Mannheim geopend, waarbij hoofdzakelijk tufsteen werd betrokken van langs de Rijn wonende boeren.

In 1848 kocht Joannes Trip een viertal kalkovens in Dedemsvaart uit de voormalige bezittingen van baron Van Dedem. Een zoon van Joannes Trip en Josina Jasperina Burgers, WILLEM JAN LAURENS verhuisde naar Dedemsvaart en onder zijn leiding groeiden de kalkbranderijen en de bijbehorende handel in bouwmaterialen uit tot een bloeiende onderneming, die o.a. schelpkalk leverde t.b.v. van de rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen en de bouw van de zeesluizen in het Noordzeekanaal te IJmuiden. In 1872 kocht hij een perceel grond aan aan de Langewijk in de gemeente Avereest, waarop de villa RIJNSBURGEROORD verrees, waar hij tot aan zijn dood in 1895 heeft gewoond. Toen Willem Jan Laurens overleed ging de leiding van de zaak over naar zijn zoon GERARDUS JOHANNES MARIE TRIP, die hiervoor zijn priesteropleiding aan het seminarium afbrak. Uit een verslag van de Kamer van Koophandel uit 1911 blijkt dat de schelpkalkbranderijen en cement-pannenfabriek van Gerardus Trip ongeveer 25 man in dienst had voor het loodzware werk bij de kalkovens. In 1941 verkocht Gerardus het bedrijf aan de gebroeders Peters. Na het dempen van de Dedemsvaart in de jaren zestig van de vorige eeuw en door de concurrentie van de grote betonfabrieken kwam in de jaren daarop een eind aan de schelpkalkindustrie die niet alleen voor Dedemsvaart maar ook voor Avereest van grote betekenis is geweest.
Een kleinzoon van Josina Jasperina en Hendrik Trip bracht het later tot President van de Nederlandsche Bank. Leonardus Jacobus Anthonius Trip werd in oktober 1931 benoemd, maar trad in 1941 af. Na de oorlog bekleedde hij de functie van commissaris van de bank en voorzitter van de Raad van Bestuur.

Literatuur:

- Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aantekeningen (A.Markus)
- De Bestorming van Arnhem, een verhaal uit bange dagen (L.Penning)
- Arnhem 1813 Bezetting en bestorming (Onno Boonstra, Paul van Lunteren, Jan de Vries)
- Utrecht op oude foto's van De Weerd naar Tolsteeg (Dr. A. van Hulzen)
- Jaarboekje van "Oud-Utrecht" 1958 (Ver. tot Beoefening en tot Verspreiding v.d. kennis der geschiedenis van Stad en Provincie Utrecht)
- Dagboek Eener Reize ter Walvisch- en Robbenvangst in de jaren 1777 en 1778 door den Kommandeur HIDDE DIRKS KAT
- Uitgave 1992 Historische Vereniging Avereest
- Speuren en Ontdekken, Uitgave van de Werkgroep Wolfgerus van Aemstel ter Bestudering van de historie van Ouder-Amstel (artikel Joan Gerard Kruimel, Burgemeester van Ouder-Amstel van 1861 tot 1899).
- De Zomer van 1823, Lopen met Van Lennep, dagboek van zijn voetreis door Nederland, (bezorgd door) Geert Mak en Marita Mathijsen (Waanders Uitgevers Zwolle)
- Publicatie geslacht Burgers door Mr. H.Th.M. Burgers


Last updated 13-03-2016      Webdesign by Yann